Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 12,80 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 8,50 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker. Dit kan even duren.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
Het stellen van een diagnose en de behandeling met GENOTONORM dient uitsluitend gestart en begeleid te worden door artsen met de gepaste opleiding en ervaring in de diagnose en de behandeling van patiënten met bovenvermelde therapeutische indicatie. Myositis is een zeer zeldzame bijwerking die verband kan houden met het conserveermiddel metacresol. In geval van myalgie of overdreven pijn op de injectieplaats, moet aan myositis gedacht worden en indien dit bevestigd wordt, moet een GENOTONORM afleveringsvorm zonder metacresol gebruikt worden. De maximaal aanbevolen dagelijkse dosering mag niet worden overschreden (zie rubriek 4.2). Insulinegevoeligheid Somatropine kan de insulinegevoeligheid verminderen. Bij patiënten met diabetes mellitus kan het noodzakelijk zijn om de insulinedosis aan te passen nadat de behandeling met somatropine wordt ingesteld. Patiënten met diabetes, glucose-intolerantie of bijkomende risicofactoren voor diabetes moeten tijdens de behandeling met somatropine nauwgezet worden gecontroleerd. Schildklierfunctie Groeihormoon verhoogt de extrathyroïdale conversie van T4 in T3, wat kan leiden tot een daling van T4-serumspiegel en een stijging van de T3-serumspiegel. Hoewel de perifere schildklierhormoonspiegels bij de meeste gezonde mensen binnen de referentiewaarden bleven, kunnen proefpersonen met subklinische hypothyroïdie theoretisch gezien hypothyroïdie ontwikkelen. Daarom moet bij alle patiënten de schildklierfunctie worden gecontroleerd. Bij patiënten met hypopituitarisme die een standaard substitutietherapie krijgen, moet het potentiële effect van groeihormoon op de schildklierfunctie nauwgezet worden gecontroleerd. Hypoadrenalisme Introductie van de behandeling met somatropine kan leiden tot remming van 11βHSD-1 en verlaagde serumcortisolconcentraties. Bij patiënten die met somatropine worden behandeld, kan eerder niet-gediagnosticeerd centraal (secundair) hypoadrenalisme worden vastgesteld, en glucocorticoïd substitutietherapie kan nodig zijn. Bovendien kan het voor patiënten die worden behandeld met glucocorticoïd substitutietherapie voor eerder gediagnosticeerd hypoadrenalisme nodig zijn een verhoging van hun onderhouds- of stressdoses door te voeren na de start van de behandeling met somatropine (zie rubriek 4.5). Gebruik met orale oestrogenenbehandeling Als een vrouw die somatropine gebruikt, start met orale oestrogenenbehandeling, kan het nodig zijn de somatropine-dosis te verhogen om de serum-IGF-1-waarden binnen de normale waarden, geschikt voor de leeftijd, te kunnen behouden. Omgekeerd, wanneer een vrouw die somatropine gebruikt, stopt met orale oestrogenenbehandeling, kan het nodig zijn de somatropine -dosis te verlagen om een overmaat aan groeihormoon en/of bijwerkingen te vermijden (zie rubriek 4.5). Bij groeihormoondeficiëntie, secundair aan de behandeling van maligne aandoeningen, dient men te letten op tekens van hernieuwde activiteit van de maligniteit. Bij de patiënten die een kanker in de kindertijd hadden overleefd, werd een toegenomen risico van secundair neoplasma gemeld bij patiënten die na hun eerste neoplasma met somatropine werden behandeld. Intracraniale tumoren, meer bepaald de meningiomen, waren de meest frequente secundaire neoplasmata bij patiënten die voor hun eerste neoplasma met radiotherapie van het hoofd werden behandeld. Bij patiënten met endocriene stoornissen, inclusief groeihormoondeficiëntie, kan epifysiolyse van de femurkop frequenter voorkomen dan bij de normale populatie. Kinderen die mank gaan lopen tijdens een behandeling met groeihormoon, moeten onderzocht worden. Benigne intracraniale hypertensie In geval van ernstige of terugkerende hoofdpijn, visusstoornissen, misselijkheid en/of braken, is een funduscopie aangewezen om mogelijk papiloedeem te diagnosticeren. Indien papiloedeem wordt bevestigd, moet de diagnose van benigne intracraniale hypertensie overwogen worden en indien nodig moet de behandeling met groeihormoon gestopt worden. Momenteel zijn er onvoldoende gegevens om specifiek advies te kunnen geven over de voortzetting van de groeihormoonbehandeling bij patiënten met intracraniale hypertensie die onder controle is. Indien de behandeling met groeihormoon wordt herstart, is een zorgvuldige controle van de symptomen van intracraniale hypertensie noodzakelijk. Leukemie Bij een klein aantal patiënten met groeihormoondeficiëntie, waarvan sommigen met somatropine werden behandeld, werd leukemie gerapporteerd. Het is echter niet aangetoond dat de incidentie van leukemie verhoogd is bij ontvangers van groeihormoon zonder voorbestemmende factoren. Antilichamen Zoals met alle producten die somatropine bevatten, kan een klein percentage patiënten antilichamen tegen GENOTONORM ontwikkelen. GENOTONORM leidde bij ongeveer 1% van de patiënten tot de vorming van antilichamen. Het bindingsvermogen van deze antilichamen is klein en er is geen effect op de groeisnelheid. Patiënten met een onverklaard gebrek aan respons moeten getest worden op antilichamen tegen somatropine. Oudere patiënten De ervaring bij patiënten ouder dan 80 jaar is beperkt. Oudere patiënten kunnen gevoeliger zijn voor de werking van GENOTONORM en dus meer vatbaar zijn voor bijwerkingen. Acute ernstige ziekte De effecten van GENOTONORM op het herstel werden bestudeerd in twee placebogecontroleerde studies bij 522 ernstig zieke volwassen patiënten die complicaties ondervonden na een open-hartingreep, een abdominale ingreep, meervoudig trauma ten gevolge van een ongeluk of acute ademhalingsinsufficiëntie. De mortaliteit was hoger bij de patiënten behandeld met 5,3 of 8 mg GENOTONORM per dag dan bij patiënten die placebo kregen (42% vs. 19%). Op basis van deze informatie mogen deze patiënten niet behandeld worden met GENOTONORM. Aangezien er geen gegevens beschikbaar zijn over de veiligheid van de groeihormoonsubstitutietherapie bij patiënten die acuut ernstig ziek zijn, moet het voordeel van een voortgezette behandeling in deze situatie afgewogen worden tegen de mogelijke risico's die ermee samenhangen. Bij alle patiënten die andere of gelijkaardige acute ernstige ziekten ontwikkelen, moet het potentiële voordeel van de behandeling met GENOTONORM afgewogen worden tegenover het mogelijke risico dat ermee samenhangt. Pancreatitis Hoewel zeldzaam, moet pancreatitis worden overwogen bij met somatropine behandelde patiënten, in het bijzonder bij kinderen die buikpijn ontwikkelen. Prader-Willi syndroom Bij patiënten met het Prader-Willi syndroom dient de behandeling steeds gecombineerd te worden met een caloriearm dieet. Er zijn sterfgevallen gemeld in verband met de inname van groeihormoon bij pediatrische patiënten met een Prader-Willi syndroom, die een of meer van de volgende risicofactoren vertoonden: ernstige obesitas (patiënten met een gewicht/lengte-verhouding van meer dan 200%), een voorgeschiedenis van respiratoire insufficiëntie of slaapapnoe of een niet-geïdentificeerde respiratoire infectie. Patiënten met een of meer van deze factoren kunnen een verhoogd risico op een fatale afloop vertonen. Voor het instellen van een behandeling met somatropine bij patiënten met het Prader-Willi syndroom moeten de tekens van obstructie van de bovenste luchtwegen, de slaapapnoe of de respiratoire infecties geëvalueerd worden. Indien het onderzoek van de obstructie van de bovenste luchtwegen pathologische resultaten vertoont, moet het kind voor het instellen van een behandeling met groeihormoon verwezen worden naar een keel-, neus- en oorarts (KNO) voor behandeling en opheffing van de ademhalingsstoornis. De slaapapnoe dient voor het begin van een behandeling met groeihormoon geëvalueerd te worden met erkende methoden zoals polysomnografie of nachtelijke oxymetrie. De patiënten dienen van dichtbij gevolgd te worden bij vermoeden van slaapapnoe. Indien de patiënten gedurende behandeling met somatropine tekens vertonen van obstructie van de bovenste luchtwegen (waaronder het optreden of verergeren van piepende ademhaling), moet de behandeling worden onderbroken en dienen nieuwe KNO-onderzoeken te worden uitgevoerd. Alle patiënten met een Prader-Willi syndroom dienen van dichtbij gevolgd te worden indien slaapapnoe vermoed wordt. Er moet gezocht worden naar tekens van respiratoire infecties. Deze infecties moeten zo vlug mogelijk gediagnosticeerd worden en agressief behandeld worden. Een aangepaste gewichtscontrole is nodig voor en gedurende de behandeling met groeihormoon bij alle patiënten met een Prader-Willi syndroom. Scoliose komt frequent voor bij patiënten met het Prader-Willi syndroom. Bij elk kind kan scoliose verergeren tijdens de snelle groeifase. Tijdens de behandeling, dient men tekens van scoliose op te volgen. De ervaring met een langdurige behandeling bij volwassenen en patiënten met het Prader-Willi syndroom is beperkt. Te kleine gestalte bij de geboorte Bij kinderen met kleine gestalte en die bij geboorte SGA waren, moeten andere medische oorzaken of behandelingen die deze groeistoornis zouden kunnen verklaren worden uitgesloten voordat een behandeling wordt gestart. Bij SGA geboren kinderen wordt aangeraden een nuchtere insuline- en bloedglucosespiegel te bepalen vóór de start van de behandeling en daarna jaarlijks. Bij patiënten met een verhoogde kans op diabetes mellitus (bijvoorbeeld familiaire geschiedenis van diabetes, obesitas, ernstige insulineresistentie, acanthosis nigricans) moet een orale glucosetolerantietest (OGTT) uitgevoerd worden. Indien een klinische diabetes zich openbaart, mag het groeihormoon niet toegediend worden. Bij SGA geboren kinderen wordt aangeraden de IGF-I waarde te meten vóór de start van de behandeling en daarna tweemaal per jaar. Indien, na herhaalde metingen, de IGF-I spiegel de + 2 SD overschrijdt, in vergelijking met de standaardwaarden voor leeftijd en puberale status, dan zou de IGF-I / IGHFBP-3 ratio als richtlijn voor een eventuele dosisaanpassing kunnen worden gebruikt. Ervaring omtrent het starten van de behandeling bij SGA patiënten met beginnende puberteit is beperkt. Daarom is het niet aan te raden de behandeling te starten bij beginnende puberteit. Ervaring bij patiënten met Silver-Russell-syndroom is beperkt. Een deel van de lengtetoename verkregen door kinderen met een kleine gestalte en die bij geboorte SGA waren te behandelen met groeihormoon kan verloren gaan als de behandeling wordt gestopt voordat de finale lengte is bereikt. Chronische nierinsufficiëntie Bij chronische nierinsufficiëntie moet de nierfunctie minder dan 50% van de normale waarde zijn voordat een behandeling kan ingesteld worden. Om de groeistoornis te bevestigen, moet de lengtegroei gedurende één jaar vóór het opstarten van de behandeling worden gevolgd. Gedurende die periode dient een conservatieve behandeling van nierinsufficiëntie (inclusief controle van acidose, hyperparathyroïdie en voedingstoestand) ingesteld te zijn en behouden te blijven tijdens de behandeling. De behandeling moet gestopt worden in geval van niertransplantatie. Tot op heden zijn geen gegevens beschikbaar over de eindlengte bij patiënten met chronische nierinsufficiëntie die worden behandeld met GENOTONORM. Natriumgehalte Dit middel bevat minder dan 1 mmol (23 mg) natrium per dosis. Patiënten die een natriumarm dieet volgen, kunnen worden geïnformeerd dat dit geneesmiddel in wezen 'natriumvrij' is.
Baby's, kinderen en adolescenten - Groeistoornissen ten gevolge van onvoldoende productie van groeihormoon (groeihormoondeficiëntie, GHD) - Groeistoornissen als gevolg van Turner-syndroom - Groeistoornissen als gevolg van chronische nierinsufficiëntie - Groeistoornissen (huidige lengte standaarddeviatie score (SDS) < -2,5 en met een voor de ouderlengte gecorrigeerde lengte SDS < -1) bij kleine kinderen die bij de geboorte te klein waren voor de zwangerschapsduur met een geboortegewicht en/of -lengte kleiner dan -2 standaarddeviatie (SD) en die op een leeftijd van 4 jaar of later nog geen inhaalgroei hebben vertoond (groeisnelheid SDS < 0 in het afgelopen jaar) - Prader-Willi-syndroom (PWS) voor verbetering van de groei en lichaamssamenstelling. De diagnose 'PWS' dient door het juiste genetische onderzoek te worden bevestigd Volwassenen - Suppletietherapie bij een duidelijke groeihormoondeficiëntie - Optreden op volwassen leeftijd - Patiënten die ernstige groeihormoondeficiëntie geassocieerd met multipele hormoondeficiënties als gevolg van een bekende hypothalamische of hypofysaire pathologie hebben en die daarnaast ten minste één andere deficiëntie van een hypofysehormoon, met uitzondering van prolactine, hebben - Deze patiënten moeten een aangepaste dynamische test ondergaan om groeihormoondeficiëntie vast te stellen of uit te sluiten - Optreden tijdens kindertijd - Patiënten die groeihormoondeficiëntie tijdens de kindertijd als gevolg van congenitale, genetische, verworven of idiopathische oorzaken hadden - Patiënten met GHD tijdens de kindertijd dienen na voltooiing van de longitudinale groei opnieuw geëvalueerd te worden met betrekking tot hun groeihormoonsecretie. Bij patiënten met een grote waarschijnlijkheid van persisterende GHD, d.w.z. door een congenitale oorzaak of GHD als gevolg van een hypothalamische/hypofysaire ziekte of trauma, dient een insuline-achtige groeifactor-1 (IGF-I) SDS <-2 zonder groeihormoonbehandeling gedurende minstens 4 weken als een voldoende bewijs van ernstige GHD beschouwd te worden - Alle andere patiënten dienen een IGF-I evaluatie en één groeihormoon-stimulatietest te ondergaan
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stof in dit middel is somatropine*.
Een patroon bevat 5,0 mg, 5,3 mg of 12 mg somatropine*.
Na reconstitutie is de concentratie van somatropine* 5,0 mg, 5,3 mg of 12 mg per ml.
De andere stoffen in het poeder van dit middel zijn: glycine (E640), mannitol (E421), watervrij mononatriumfosfaat (E339) en watervrij dinatriumfosfaat (E339) (zie rubriek 2 "Genotonorm bevat natrium").
De stoffen van het oplosmiddel van dit middel zijn: water voor injecties, mannitol (E421) en metacresol.
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel? Verwittig uw arts als één van de volgende vermeldingen op u van toepassing is
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Gebruikt u naast Genotonorm nog andere geneesmiddelen, of heeft u dat kort geleden gedaan? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Dat geldt ook voor geneesmiddelen waar u geen voorschrift voor nodig heeft.
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Bespreek met uw arts of apotheker voor u start met Genotonorm.
Wanneer u een substitutietherapie met glucocorticoïden ondergaat, dient u uw arts regelmatig te consulteren, omdat de kans bestaat dat de dosis van uw glucocorticoïdetherapie dient aangepast te worden,
Vertel uw arts indien u onder behandeling bent met:
geneesmiddelen voor de behandeling van diabetes, schildklierhormonen, synthetische bijnierhormonen (corticosteroïden), oraal in te nemen oestrogenen of andere geslachtshormonen, ciclosporine (een geneesmiddel dat het immuunsysteem verzwakt na transplantatie), geneesmiddelen voor de behandeling van epilepsie (anticonvulsiva).
Het is mogelijk dat uw arts de dosis van deze geneesmiddelen of de dosis van Genotonorm moet aanpassen.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De bij volwassenen zeer vaak en vaak voorkomende bijwerkingen kunnen beginnen tijdens de eerste maanden van de behandeling en kunnen ofwel spontaan stoppen of als uw dosis verlaagd wordt.
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (komen voor bij meer dan 1 op 10 personen) zijn:
Bij volwassenen:
Gewrichtspijn.
Vochtophoping (die zich manifesteert in de vorm van gezwollen vingers of enkels).
Vaak voorkomende bijwerkingen (komen voor bij minder dan 1 op 10 personen) zijn:
Bij kinderen:
Gewrichtspijn.
Tijdelijke roodheid, jeuk of pijn op de plaats van de injectie.
Bij volwassenen:
Gevoelloosheid/tintelingen.
Pijn of branderig gevoel in de handen of onderarmen (gekend als het carpale-tunnelsyndroom).
Stijfheid in armen en benen, spierpijn.
Soms voorkomende bijwerkingen (komen voor bij minder dan 1 op 100 personen) zijn:
Bij kinderen:
Leukemie (dit werd gemeld bij een klein aantal patiënten met een tekort aan groeihormoon, waarvan er enkele behandeld werden met somatropine. Er is echter geen bewijs dat leukemie meer voorkomt bij patiënten die groeihormoon gebruiken zonder predisponerende factoren).
Verhoogde intracraniale druk (die symptomen veroorzaakt zoals hevige hoofdpijn, gezichtsstoornissen of braken).
Gevoelloosheid/tintelingen.
Huiduitslag.
Jeuk.
Verheven jeukende bultjes op de huid.
Spierpijn.
Borstvorming bij mannen (gynaecomastie).
Vochtophoping (die zich manifesteert in de vorm van gezwollen vingers of enkels, gedurende een korte tijd bij het begin van de behandeling).
Bij volwassenen:
Borstvorming bij mannen (gynaecomastie).
Niet bekend: kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
Type 2-diabetes.
Gezichtszwelling.
Hoofdpijn.
Een daling in uw bloed van de hoeveelheid van het hormoon cortisol.
Overgevoeligheid voor het werkzaam bestanddeel of voor een van de hulpstoffen.
Somatropine mag niet worden gebruikt wanneer er enig bewijs is van de activiteit van een tumor. Intracraniële tumoren moeten inactief zijn en antitumortherapie moet zijn voltooid voordat de groeihormoontherapie mag worden gestart. De behandeling moet worden beëindigd als er bewijs is van tumorgroei.
GENOTONORM mag niet gebruikt worden om de groei te stimuleren bij kinderen met gesloten epifysairschijven.
Patiënten met een acute levensbedreigende aandoening, die complicaties ondervinden na een open-hartoperatie, abdominale chirurgie, meervoudig trauma, acute ademhalingsinsufficiëntie of vergelijkbare aandoeningen dienen niet behandeld te worden met GENOTONORM ( voor patiënten met substitutiebehandeling).
Gebruik geen Genotonorm als u zwanger bent, denkt u zwanger te zijn of probeert zwanger te worden. Vraag uw arts om advies voordat u dit geneesmiddel gebruikt terwijl u borstvoeding geeft. Vraag uw arts of apotheker om advies voordat u een geneesmiddel inneemt.
Kinderen
Volwassenen
Toedieningswijze
| CNK | 0493379 |
|---|---|
| Organisaties | Pfizer |
| Breedte | 35 mm |
| Lengte | 110 mm |
| Diepte | 22 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 1 |
| Actieve ingrediënten | somatropine |
| Behoud | Koelkast (2°C - 8°C) |